Ik heb jullie in het toernooi van schaakclub Olst gemist, clubgenoten. Ik schreef het al: leuk toernooitje, kleiner maar fijner dan - OEPS - ..., sorry, Rien en alle andere werkers in het Peter Verburg Rapidtoernooi. Maar ik laat het toch staan. Ondanks alle oproepen om op die eerste mooie meidag een fietstochtje naar de Boskamp te maken was ik daar weer de enige vertegenwoordiger van de TSC. Tja, zo blijft dat toernooi wel klein natuurlijk.

Waarbij ik nog waardering uitspreek en -schrijf voor dat ene clublid dat nog zei: sorry, ik zit vanaf Hemelvaartdag op de camping. Het lijkt me aannemelijk dat zaterdagen bij een Hemelvaartdag of Pinksterweekeinde minder deelnemers trekken in een toernooi.

Ik heb enkele partijen dramatisch verloren. Liet een keer in betere stelling zomaar de dame instaan. Echt bedroevend was die keer dat een geinig stukoffer op f7 een matnet leek op te leveren. Een voorsprong in tijd vergooide ik aan berekeningen van de insluiting van de monarch.

Mijn bijzonder aardige tegenspeler erkende dat hij in het hoogtepunt van mijn aanval geen cent meer gaf voor zijn kansen, min of meer plichtmatig de drie, vier juiste zetten speelde. Een korte analyse na afloop leerde dat ik me had moeten verzoenen met de ontsnapping van de koning, maar dat ik bij die vlucht vier pionnen kon rapen voor het stuk, in een veilige stelling. Maar uiteindelijk werd ik in tijdnood mat gezet.

Terwijl ik treurde, hing een toernooideelnemer aan het bord ernaast de lolbroek uit: "Heeeeee, mat, maar wel die andere koning." Ik had mijn tegenstander netjes gefeliciteerd en ging vervolgens verschrikkelijk balen. Ook de sportiefste schaker mag wel eens heel slecht tegen je verlies kunnen; zeker als de eigen kansen huizenhoog zijn geweest. Ik mompelde zoiets tegen mijn tegenstander en zei tegen de toeschouwer: "Ga toch wieberen!"

OEPS! Zoiets heb nog nooit gezegd in een schaakzaal. Wel heel agressief halverwege een toernooi, een pittige provocatie. Het ontschoot me, maar ik liet niet merken dat ik van mezelf schrok. Gezien zijn leeftijd sluit ik niet uit dat hij de betekenis van ‘wieberen’ niet eens kende, maar hij móest die wel begrijpen. Bewust keek ik niet naar hem om en heb verder geen commentaar meer van de zijkant gehoord.

De laatste ronde speelde ik tegen hem. Doelmatigheid, kalmte in beoordelingen en een daverende concentratie, in de meeste andere partijen onvoldoende aanwezig, leidden nu tot een vlot overwicht. Ach, het was rapid, dus laat ik het zo beschrijven: Ik won een pionnetje, pende een stukje, won dat stukje en kreeg in een kamikaze-aanvalletje tenslotte nog een tweede stukje op een presenteerblaadje.

Ik scoorde 2,5 uit 6, maar die ene winst in een achternamiddagpartijTJE, met op het spel een plek onderin de ranglijst of middenmoot-min, smaakte bijna net zo zoet als het in ruim twintig volwaardige partijen veroverde clubkampioenschap.


Gerard Bons

stap terug
terug