Na de bepaald niet optimale beurt van onze superkampioen (met 95 procent) weet ik zeker dat ik niets meer te maken wil hebben met die simultaancultuur. Alleen in oorlogen en rare worstelshows kennen we kamp met ongelijke aantallen strijders. Dit is een goede tijd voor een vergelijking.

Ik stel me zo voor dat een sterke profvoetballer, Van Persie of Huntelaar (niet beiden tegelijk, wat overigens wel wenselijk is in het EK), speelt tegen Voorwaarts 13. Robin trapt af, ongeveer op veld D4. Hij kan niet naar een teamgenoot te spelen, draait en kapt vier, vijf Twellonaren uit en laat met een laatste schijnbeweging de keeper naar de verkeerde hoek duiken, ongeveer naar de paal op de kruising van F8, G8 en de bordrand/achterlijn. Robin laat de bal traag in de andere hoek rollen, als een doorgebroken witte pion die vanaf C6 in twee zetten promoveert naast de andere doelpaal, onbereikbaar voor de andere spelers/stukken. Een pion kan niet sneller, maar wat is dit pesterig in het voetjebal.

Maar nu trapt Voorwaarts 13 af en belegeren tien Twellonaren het doel van de ‘similtaanvoetballer’. Veldspel is voor hem zinloos, want dan wordt de bal rondgespeeld naar een leeg doel. Robin moet keepen zonder hulp van backs en is drie van de vier keer kansloos. Anderzijds verslikt hij zich bij een kwart van zijn ‘beurten’ in een ongecontroleerde stuiterbal of een zeldzame geslaagde Twellose sliding. Eindstand: 11-11. Kul toch?

Volgende keer reken ik echt af met dat fenomeen een-tegen-allen in onze denksport. Eerst even kijken of ik gelijk krijg van de bondscoach.


Gerard Bons

stap terug
terug