Wellicht de meest onderschatte manoeuvre in onze sport is de schwindel, een half vernederlandste Duitse term. Het is een omgekeerde blufzet, een vergissing door paniek in verloren stelling lijkt. Zo creëert de onderliggende partij een sluier over zijn combinatie, dus doorzichtig behalve als je met je hoofd te vroeg bij de overwinning bent.

Vaak beschouwd als ‘hopen op een blunder’, maar dus meer. We gniffelen om de openingsval terwijl daarbij geen enkele creativiteit komt kijken. De schwindelaar schept uit schaakdoodsnood. Vaak een offer, al kun je ook met een strategisch inferieure zet, die op een vergissing lijkt, belangrijke lijnen of velden openen om een opponent tot fouten te verleiden. Maar er zit dus een lek in de combinatie, die het (beoogde) slachtoffer ziet als hij oplet. Net als bij zwendelen met geld of goederen. Ten overvloede: Wie vanuit een ogenschijnlijk mindere stelling toch een waterdichte winnende combinatie vindt, had bij nader inzien geen mindere stelling, dus ook geen schwindel.

Zo, dit lijkt me een duidelijke definitie. En nu put ik voor het eerst na twaalf jaar TSC uit mijn eerste schaakleven in Dordrecht, doe ik dat omdat ik een link naar de actualiteit ga leggen.

Mijn veruit mooiste toernooi ooit was het zesrondige Middlesex-teamtourney in Londen, 1980 en mijn enige buitenlandse toernooi. Ik speelde wisselend op bord 2 en 3 van het team van de twee jaar jonge Schaakclub Groothoofd, het enige buitenlandse gezelschap in het internationaal genoemde evenement. Daar speelde ik op de toppen van mijn kunnen. Complicaties hebben altijd mijn voorkeur, maar met een van mijn zeldzame strategisch prefecte partijen bond ik een Elo 2250 aan de zegekar (internationale FIDE-ranglijst, ikzelf toen rond 1900 in de KNSB-lijst). In de laatste ronde had ik een prijs van dertig pond voor 6 uit 6 voor het oprapen, maar ik maakte dus in gewonnen stelling weer eens een foutje.

De beste herinnering heb ik niet aan de zege op die topper, maar aan de partij die ik moest verliezen volgens zuurpruimen, die combinaties alleen heilig verklaren als de tegenstander foutloos speelt. Ik raadpleeg nu clubblad Groothoofdstuk 13:

Met snelvuur knalde tegenstander Joshi de ene uitstekende zet na de andere uit zijn Caissa-kanon. Toen op mijn klok ruim anderhalf uur was weggetikt, had hij nauwelijks tien minuten gebruikt en keek ik tegen een buitengewoon treurige stelling aan:

Zie diagram 1.

Je kunt nauwelijks geloven dat zwart hier zes keer zoveel bedenktijd heeft verbruikt. Alle witte spul staat optimaal, twee zwarte pionnen minder, een losgebroken paard dat op elk verdedigbaar veld gaat niksen en pion h6 gaat sneuvelen. Met schaak. Ik weet hoe de partij gaat aflopen, dan nog kan ik bijna janken als ik deze stelling voor zwart bezie.

Op behoud spelen is zinloos. Vaag zag ik dat de g-lijn openen de enige kans was, maar dat 29 … g5xf4 te lomp zou zijn. Ik had niet de tijd om veel te berekenen, maar voelde intuïtief dat ik de laatste cavalerie het spervuur van drie zijden moest injagen.

29 ..... ; Pxf4
30 Dxh6+ ; Kg8
31 gxf4 ; gxf4+
32 Tg6??

YES!!!!! Eindelijk een keer TE snel gespeeld. Vanwege de materiële overmacht en de schijn van eenvoud heeft wit zijn toren in een penning gezet. Fritz (ik kan er maar niet mee omgaan) kan bepalen of 32 Kf2 of 32 Kh1 sneller wint voor wit, maar nu kantelt de pot.

32 ..... ; Db6+
De drie teamgenoten hebben die avond wel zes keer mij opnieuw horen triomferen; ,,En toen zag ik die dame met schaak naar b6 gaan.’’ De schwindel was extra zoet omdat ik me door die vele bliksemsnelle superieure zetten ronduit vernederd voelde. De enorme lol die ik toen voelde zou ik 32 jaar later op de clubavond waarnemen. Daarover straks.
33 Tf2 ; Txg6+
34 Dxg6 ; Dxg6+
35 Tg2 ; Kh7
36 Txg6 ; Kxg6
Alle zware geschut van wit opgeruimd, maar met toren tegen loper + pion was het nog niet klaar. Zeker vanwege mijn tijdgebrek, maar ik creëerde zeven zetten later een smakelijke beslissing. Die staat in het laatste diagram, maar de bereiding van dit schaaktoetje vond ik toen best spannend, nog steeds eigenlijk:
37 Kf2 ; f3
38 Le3 ; a6
39 e6 ; Tf5
40 e7 ; Kf7
41 Lc5 ; a5
Hier zag ik al vaag hoe ik het moest hebben van een doorbraak vanaf a4
42 h4 ; a4
43 Kg3

De rating van mr. Joshi kon ik niet achterhalen, maar hij was ondanks zijn foutje te goed om hier te hopen op 44 Kg4 f2. Ik vreesde een ‘remisedreiging’ met net niet voldoende dwingende torenmanoeuvres en nergens doorbrekende pionnen, met nog weinig tijd een doembeeld. Dankzij de topvorm, die slechts anderhalf uur verstopt leek, zag ik de simpele oplossing met een kwaliteitsoffer. Al was het beangstigend omdat de tijd ontbrak de varianten dubbel te checken.
43 ..... ; Txc5
44 bxc5 ; b4
45 h5 ; bxa3
0 - 1

Weer had de intuïtie mij niet bedrogen. Het kwal klopte precies omdat de promotie op a1 een zetje eerder is dan die op h8. Ik voelde me David die Goliath versloeg.

Henk Casteel won 20 november tegen Carlo Buijvoets met een schwindel. Grootste overeenkomst is een paardoffer, al weet ik dat niet zeker. De twee en het publiek vonden het leuker uit en ten treure de slotstelling te bekijken, besteedden weinig aandacht aan de inleiding. Ik hoorde alleen iets vaags over een paard, daar wil ik meer van weten.

Er is ook een enorm verschil. Ik genoot van twee offers in één partij, bij Henk was het pardoes uit, belandde eigenlijk in de hoogste ‘schwindel-hemel’, moet ik erkennen. Meer wil ik niet verklappen, want de speler moet publiceren.

In de overwinningsroes deed hij een vage belofte aan Carlo de (het) partij(deel) niet in het digitale clubblad te zetten. Ik zou zo zeggen: Je bent niet voor niets een decennium bijna altijd paraat voor de site, webmaster. Plaatsing van op zijn minst het partijfragment moet je doen voor de site-bezoekers. De site is om te leren (daartegen mag ook de clubkampioen geen bezwaar maken) en om te vermaken, om de charme van onze sport te tonen, om zo te werven.


Gerard Bons

stap terug
terug