"Joh, normaal schaken is moeilijk genoeg. Random is dan helemaaaaaaal niet nodig," maande Eddy Sander me toen ik een keer met hem meereed. Pas toen ik was uitgestapt bedacht ik me die ontzettend voor de hand liggende reactie: "Dat zegt een biljarter!!!"

Wat een heerlijke variatie in die sport. Libre en driebanden zijn de basisvormen, uitersten en allebei verschrikkelijk moeilijk. Bandstoten, enkele varianten ankerkader en kunststoten zijn ook officieel; ook alle heel moeilijk. Tien over rood of spelen met een vierde bal, een blauwe, zijn kroegvarianten, maar niet 1 makkelijk. Wat dacht je van kastjestoten? Met talloos veel verschillende regels worden munten op of naast de pot gegooid, dat is wel makkelijk totdat je moet stoten.

En dan nog die angelsaksische biljartvormen met pockets. De mooiste is snooker, prachtig om te zien, die zeven kleuren en die patronen waarin de ballen rollen.


foto KNBB

Welnu, randomschaken brengt ook kleur in onze denksport. Schaaktechnisch zogezegd. Ik heb al eens bepleit met rode en blauwe stukken te spelen, maar die culturele stap gaat natuurlijk echt veel te ver.

Wat is dat, die benauwdheid voor een doordachte en evenwichtige verrijking van onze denksport? Als de schaaksamenleving random niet omarmt, zal de stam zonder takken sterven van eenzijdigheid en kleurloosheid.

De reacties na de eerste random-avond waren positief, maar iedereen bleef daarna de veilige paden van o.a. siciliaans plattreden. Ook ik, had geen zin in teveel pleidooi voor een exotische spelvorm. Maar na de komende ledenvergadering ga ik er weer voor zitten, voor het eerste randomtoernooi van de TSC. Een enkele andere deelnemer is mij genoeg, hebben we allebei altijd een prijs.


Gerard Bons

stap terug
terug