Als ik flaporen had zouden ze klaterend hebben geklapperd toen ik op de club hoorde: "Je kun je afvragen of we wel kampioen moeten worden." Gelukkig had ik tegen Frits zo’n moeilijke, aandacht vretende partij, dat ik vergat wie dat zei. Dat interesseert me ook niet. Wel de inhoud.

Aanleiding was mijn poging een andere afspraak te verzetten op 17 april. Dan kan ons eerste kampioen worden en daar wil ik bij zijn. We leiden in klasse 3G met een half bordpunt voorsprong op VDS 2. Ik koester de herinnering aan de onderlinge wedstrijd. Met een heerlijke ontsnapping naar het volle punt voor mij, vanuit een nagenoeg verloren stand. Het werd 3-3, in een thuiswedstrijd waarin ik even een 1-5 vreesde. Alleen al daarom moet je hunkeren naar een kampioenschap nu de toen dominante concurrent op afstand(je) is gezet.

"Je hoeft niet zo’n moeite te doen je afspraak te verzetten," hoorde ik. "Als we promoveren hebben we in de tweede klasse twee teamspelers meer nodig en ontstaan problemen met bezetting van het tweede. Nou ja, misschien kunnen we kampioen worden en promotie weigeren."

Dat laatste luchtte op. Waren we soms voor niks na wild gespartel ontsnapt aan de wurggreep van de Beekbergenaren? Hebben we voor de korte achternaam in vijf andere wedstrijden naar dat miniemste surplus van een halfje gezwoegd?

Vooral in externe competities is het me een eer zoveel mogelijk bij te dragen aan het niveau van de club. Daaraan wordt ieders aanzien afgemeten in de schaakwereld. Geloof me, subtoppers in een ‘eerste klasser’ hebben meer glorie dan de kampioen van een ‘derde klasser’. Die ‘eerste’ is onbereikbaar, maar de TSC maakt kans er tussenin te kruipen.

Kortom, we worden gewoon kampioen, daarna kijken we verder. Enerzijds gun ik onze middenmoters volgend seizoen wel een voldoende bezet tweede team, anderzijds is streven naar een optimaal peil in de tweede klasse stimulerender. Bestaan er combinatieteams met andere clubs? Is er een andere creatieve oplossing mogelijk? Laten we tussen 18 april en de ledenvergadering maar kijken wat we doen ... als we kampioen worden.

Ik creëer druk, maar vooral op mezelf. Ik ga voor 7 uit 7, scoorde dus al 6 uit 6 en herinner me als wisselvallige (denk)sporter niet eerder zes aaneengesloten partijen in een competitie van belang te hebben gewonnen.

In elke sport gaat het om heel graag willen winnen. Met sportieve druk is niks mis, als je maar overdruk vermijdt en ook onderdruk, bijvoorbeeld met nonchalance. Zelfs als ikzelf inderdaad die 7 uit 7 scoor, maar we met 1-5 verliezen, zal ik niet mopperen als ik maar kan zeggen: "Ach, wat inschattingsfoutjes, maar die (onbe)nullen hebben in elk geval hun best gedaan."


Gerard Bons

stap terug
terug