De vorige keer schreef ik te laconiek over het vermijden van sportieve overdruk. Daar moet ik op terug komen, want zelf kan ik er na vier decennia schaken en andere sporten nog steeds moeilijk mee overweg. De voorspelling bij een 1-5 nederlaag tegen Pallas als enige te gaan winnen (voor een 7 uit 7), was een grapje, maar ook een provocatie … van mezelf. Moet ik niet doen, gewoon de immer dreigende concentratiezwakte erkennen, het blunderrisico zo nuchter mogelijk onder ogen zien.

Wat ik naliet in mijn slotpartij in het Middlesex-teamtourney 1980 in Londen. In clubblad Groothoofdstuk 13 (van Schaakclub Groothoofd) rouwde ik diep over de wijze waarop ik 6 uit 6 weggaf in mijn enige internationale toernooi.

(Deze fotokopie is een aardigheidje, de hoofdzaak is daaronder samengevat, maar je kunt mijn bewering over de totale partij controleren.)


In de laatste ronde kon ik met 100 procent dertig pond verdienen, nu minstens het dubbele waard in euro’s. Bovenal zou dat resultaat in zo’n toernooi een enorme glorie opleveren. Dat alles had ik voor het grijpen in dit partijslot:


21 Lxf6 Txa4?
Eindelijk de fout door teveel complicaties. In de gambietvariant van de Franse doorschuiver offerde ik twee pionnen voor veel initiatief. Dat had ik nog steeds en na 21 … Lxf6 22 Texd5+ Kc8 meende ik in 1980 ook wel ff te gaan winnen, maar nu twijfel ik. Waar is de knallend voortzetting nu zwart in deze variant de gevaarlijkste loper opruimt?
22 Td1xd5+!
Niet echt moeilijk, maar het gaat natuurlijk ook om de eerder opgebouwde overdruk ..… in de schaaktechnische zin.
22. …. exd5
23 Txe7 Dc6


24 Te8++??? Kxe8 en meteen opgegeven.

In tijdnood meende ik de Brit in de vorige zet 23. Db5 te zien spelen. Na het andere dubbelschaak 24 Txd7++ Kc8 25 Td6+ is het voor zwart afgelopen. Overigens had ik hevige tijdnood. Door mentale overdruk, met afwisselend faalangst en optimisme, treuzelde ik te vaak te onnodig. Vliegende tijdnood is er op 17 april in onze kampioenswedstrijd en later in de interne competitie gelukkig niet meer bij. Heerlijk, 1/6 minder tijd bij de start, wat iets meer dwingt tot beslissingen, en een tijdbonus per zet om een gewonnen stelling altijd te kunnen winnen.

Terug naar 1980: Het absolute dieptepunt in mijn schaakleven. Ik was toen wat beter, maar speelde ook nog in mijn enige buitenlandse toernooi een klasse boven mijn niveau. In ronde 2 versloeg ik in mijn regelmatigste partij ooit ene Reuben, Elo 2250 (aldus de destijds gezaghebbende Schachinformator), met zwart in 37 zetten. Wat keek die man lekker boos toen ik mijn licht opgekrikte 1900 noemde. In ronde 4 werd ik bijna geveegd, maar won met een fantastische schwindel en een kwaliteitsoffer. Is in ons digitale TSC-clubblad beschreven op 22 november 2012.

Er is reden ook terug te denken aan de op een na ergste afgang tegen de toen nog zeer jeugdige Koen Lambrechts. Ook in een uitwedstrijd bij Pallas. Een volledig fout offer van hem leverde me een ruim voordeel op. Het uitbouwen verliep evenwel moeizaam, ik zag ook alle zeven teamgenoten ten onder gaan. Ik meende de eer van de club hoog te moeten houden, toch werd het 0-8.

Sindsdien negeer ik in teamwedstrijden de andere borden nagenoeg. Bij een lang peinzende opponent observeer ik toch wel eens elders, maar het laat me koud als ik meen dat een teamgenoot een goede zet nalaat. Helpt het als ik me daar druk over maak? Mijn kletspraatjes zijn dan schijn-sociaal gedrag. Buiten mijn eigen pot ben ik in een team een beetje ‘Zen’. Maximale inzet achter het eigen bord vind ik voor het team de beste bijdrage.

Laat ik niet besluiten met die reflecties. Daarom het slot van de eenvoudigste zege uit 1980.


In die afschuwelijke slotpartij had ik 20 zetten nodig om de fout uitlokkende druk te creëren, hier al na twaalf zetten. Ook meneer Hughes had geen echt domme dingen gedaan, maar zijn materiaal toch minder slim opgesteld.

12. ……. 0-0
12 Nu gaat het snel. De koning was te hard nodig voor de verdediging van die kluit stukken. 12 …. h6 leidt tot een voor wit prettige verzwakking, maar is toch de beste voortzetting, analyseerde ik in het pre-computertijdperk.
13 e5 Lxf3
14 Pxf3 dxe5
15 fxe5 Pd5
16 Lxe7 Pxc3
17 Dxc3
1-0
Minder dan twintig zetten blijft toch altijd lekker als de opponent niet opzichtig blunderde.

Gerard Bons

stap terug
terug