"Toe nou, Gerard. Met jou erbij wordt het even."

"Joh, ik word kanonnenvoer!"

Aanloop naar het Jules Welling herdenkingstoernooi te Wijk aan Zee. De herdachte was een olijke schaakjournalist met een vrolijk consumptiegebruik.


Winnaar Peter Boel regelde ook nog alles.

Laat in de avond, in een bijzaaltje van sporthal De Moriaan, waar het Tata Toernooi weer op rolletjes verliep. Bij dat aanzoek dronk ik mijn tweede biertje, de rest nuttigde vergelijkbaar. "In de geest van Jules", riep organisator Peter Boel, zijn glas heffend.

De zeven anderen hadden ratings van 1762 en 1900 tot de 2458 snelschaak-rating van de Internationaal Meester. Globaal 150-850 boven mij. Zou alcohol mijn ‘schaakkracht’ meer aantasten dan bij de ervaren spelers? Ik besloot dat de snelschaakkampioen van Twello zo’n uitnodiging niet mocht weigeren. Met 3 uit 6 in het primaire journalistentoernooi had ik eerder die dag mijn rating veilig gesteld. Op de slotdag nog één pot, dubbelrondig 14 vluggertjes op de late avond moest kunnen.

En ik haastte me niet meer met de pils.

Vlak voor de start meldden zich nog twee deelnemers, 2x elo 2000+ erbij, 18 zware ronden, pas twee uur ’s nachts in bed, toch heb ik genoten.

Schaakpublicist Peter Boel won met 15 uit 16. Formidabel omdat hij IM Merijn van Delft, aanzienlijk hoger geklasseerd, twee keer versloeg. Boel was ook nog organisator, extra belastend voor de concentratie. Hij improviseerde met een gekrabbeld, maar correct toernooischema.
Een voorgedrukte kartonnen schemakaart had hij niet nodig.


Karel van Delft, meest elo-nabij, toch te sterk.

Ik saboteerde twee kanonnen. Niet Karel van Delft, laagste ratinghouder boven mij, de enige die ik in een vierpuntenwedstrijd als mogelijke prooi mocht beschouwen. Hij won twee keer en eindigde als voorlaatste met drie punten, dus 67% tegen mij.
Mijn eerste zege pakte ik tegen Alexander Müninghoff, nu beter bekend als auteur van het gelauwerde boek De Stamhouder. Hij was de eerste gerenommeerde schaker die ik een kwart eeuw geleden in het J-toernooi versloeg, hij nam daarna minstens vier keer wraak. Ik was dus toe aan een kleine genoegdoening.


Tegen Alexander Müninghoff lukte het wel.

Tegen Utrechter Timo Können staan de contouren van een ‘ kleine plofzet’ me nog helder voor de geest. In het diagram kunnen de pionnen andere irrelevante velden hebben gehad, de rest klopt. Zwart aan zet.

      Timo Können

Ik vreesde onafwendbaar paardverlies na Tf3-g3 en Lc4-d3. Eer zelfbeklag toesloeg, zag ik een petite combinaisson, wat scherpslijpers in de schaakanalyse wel eens degraderen tot een toevalligheid in de stelling: Pg6-h4+, witte toren gepend i.p.v. het paard met kwaliteitswinst. Leidde tot een aimabel mengsel van teleurstelling en waardering van Timo.

Van de potjes tegen de IM herinner ik me slechts dat ze in mijn beleving verbazend lang duurden. Merijn van Delft, plezierige zoon van Karel, babbelde met iedereen, zelfs in eigen bedenktijd. Irriteerde me twee seconden, maar die gebrekkige aandacht voor het bord kon me wel eens hebben behoed voor openingsvalletjes. Een vierde klasse dorpsvoetballer moet ook niet zeuren als John de Wolf in een clinic dezelfde kletsmajoor is als in praatshows.


Bierglazen bij de hand, al nam ik ruim de tijd tussen
de slokken. IM Merijn van Delft zit hier naast,
later tegenover me.


Omdat in dit veld elk punt voor mij als tien telde, eindigde ik op 20 uit 18

Gerard Bons


Foto’s zijn van Jeroen van de Belt en Karel van Delft van schaakacademie Apeldoorn, site: www.schaakacademieapeldoorn.nl




Dit is een maandelijkse clubbladcolumn, die frequenter kan worden bij een goede aanleiding, maar niet vaker dan 1x per week.

In zijn eerste schaakleven was de schrijver van 1978 tot 1986 redacteur en columnist van Groothoofdstuk, clubblad van de Dordtse SC Groothoofd. De club werd vernoemd naar een monumentale kade in Dordrecht. In de hoop dat ze prikkelt is buitenissige naam van kaai en club hier hergebruikt.

stap terug
terug