Jeugd kan niet vroeg genoeg beginnen met schaken op basis van diagrammen, zo konden we nog in het laatste bondsblad lezen. Mijn vader leerde me het spel op mijn achtste, pas tien jaar later zag ik het eerste diagram, ontdekte dat velden letters en cijfers hebben. Paste die kennis pas toe toen ik op mijn 25’ste lid werd van Schaakclub Dordrecht. Veel te laat dus, gemis aan ritme en vooral discipline in de administratieve kant van onze denksport vormden een niet in te lopen achterstand. In een partij kost de notatie me de helft van mijn energie.

Ook daarom vind ik snelschaken zo leuk.



Schaakles kan dus het beste met een demonstratiebord worden gegeven. Om zo vroeg mogelijk te wennen aan de abstractie van een diagram, schaakcomputer en internetpartij. Wellicht vindt het jonge volk ‘echt hout’ inmiddels onwezenlijker dan schaken op een beeldscherm.

Toen Wobbe zijn oprolbare demonstratiebord kwijt was, moest hij evenwel les geven op een echt bord. Als assistent heb ik met plezier vastgelegd hoe de pupillen in een kringetje allemaal tegelijk wilden spelen.

Maar ze moesten de zetten van de koning nog leren, zelf tonen dat ze Wobbe begrepen, aanwijzen welke beperkte velden majesteit tot zijn beschikking heeft.







Veel levendiger, later moesten ze toch visualiseren in diagrammen, ze invullen in een lesboek. Eigenlijk was de les van Wobbe een ‘levend museum’. De volgende generatie schaakleraren geeft les met de schoolcomputers.



Dit is een maandelijkse clubbladcolumn, die frequenter kan worden bij een goede aanleiding, maar niet vaker dan 1x per week.

In zijn eerste schaakleven was de schrijver van 1978 tot 1986 redacteur en columnist van Groothoofdstuk, clubblad van de Dordtse SC Groothoofd. De club werd vernoemd naar een monumentale kade in Dordrecht. In de hoop dat ze prikkelt is buitenissige naam van kaai en club hier hergebruikt.

stap terug
terug